Corona laatste update: 19/11/2021

De verschoonbaarheid, de kwijtschelding en de gevolgen - gelijkenissen en verschillen in a nutshell

Onderstaand artikel is een uittreksel uit de tweedelige 'praktische gids voor faillissementscuratoren', editie 2021, van gewezen stafhouder Brigitte Vander Meulen. Lees hier meer bijdragen.
 

.


De praktische gids behandelt chronologisch en systematisch alle stappen bij de afwikkeling van een faillissement, zowel de toepassing van de faillissementswet als van boek XX WER. Het omvangrijke werk van 980 bladzijden bevat een apart modellenboek en een handige trefwoordenlijst.

U kan de twee delen voor 261,66 euro (incl. BTW) op papier en in een e-book formaat verkrijgen via Wolters Kluwer.

 



DE VERSCHOONBAARHEID

Voor alle faillissementen die uitgesproken werden voor 1 mei 2018 blijven de bepalingen van de faillissementswet 1997 van toepassing. Dit betekent dat voor deze gefailleerden (en hun naasten) nog altijd de regels van de verschoonbaarheid gelden en niet de regels nopens de kwijtschelding.

De gefailleerde dient geen actieve daad te stellen opdat zijn verschoonbaarheid zou besproken en behandeld worden. De faillissementswet voorziet niet dat de gefailleerde hiertoe een verzoek moet richten aan de rechtbank noch dat hij dit verzoek moet staven.

Artikel 80,5e lid Faill. W. voorziet dat de gefailleerde vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van de faillietverklaring de rechtbank kan verzoeken om vervroegd uitspraak te doen over de verschoonbaarheid. Hij dient m.a.w. de sluiting van het faillissement niet af te wachten voor een uitspraak over de verschoonbaarheid.

Voor wat de gefailleerde natuurlijke persoon betreft, spreekt de rechtbank de verschoonbaarheid uit wanneer de gefailleerde ongelukkig is en te goeder trouw handelt. Enkel in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, kan de rechtbank de verschoonbaarheid weigeren.

De gevolgen van de verschoonbaarheid voor de gefailleerde onder de huidige wet zijn dat hij niet meer kan vervolgd worden door zijn schuldeisers. De verschoonbaarheid doet de schulden op zich niet verdwijnen of uitdoven, doch de verschoonbaar verklaard gefailleerde heeft een exceptie van verweer ten aanzien van vervolgingen tegen hemzelf.
Dit impliceert dat wanneer de verschoonbaar verklaarde gefailleerde toch nog vrijwillig restschulden betaalt, het niet gaat om een onverschuldigde betaling en er ook geen mogelijkheid is tot terugvordering.

De verschoonbaarheid treft alle schulden die ontstaan zijn voor het vonnis van faling, ongeacht of de schuldeisers aangifte van schuldvordering in het faillissement gedaan hebben of niet.

De gedeeltelijke verschoonbaarheid (enkel voor bepaalde schulden, of verschoonbaarheid ten belope van een bepaald percentage) werd, hoewel overwogen, niet voorzien door de wetgever.

De verschoonbaarheid treft zowel commerciële als private schulden waarvoor aangifte kon gedaan worden in het faillissement. Ook de schulden ten aanzien van RSZ en de fiscus kunnen niet meer verhaald worden. Enkel de schulden vermeld in art 82,3 Faill. W. blijven invorderbaar.

De echtgenoot of de voormalige echtgenoot bevrijd wordt van de schuld van zijn (voormalige) echtgenoot waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is. Het moet dus gaan om schulden van de gefailleerde, niet om eigen schulden. Van zijn eigen schulden wordt de partner dus niet bevrijd.


DE KWIJTSCHELDING

In boek XX WER werd de figuur van de verschoonbaarheid verlaten en vervangen door de kwijtschelding. Natuurlijke personen die failliet worden verklaard bij vonnis dat dateert van na 1 mei 2018 worden dus niet meer verschoonbaar verklaard. Voor hen geldt de kwijtschelding.

Daar waar over de verschoonbaarheid steeds uitspraak wordt gedaan uiterlijk op de zitting waar het faillissement wordt gesloten en zelfs wanneer de gefailleerde daartoe geen vraag formuleert, is het voor de kwijtschelding noodzakelijk dat de gefailleerde tijdig een verzoek indient daartoe.
De wet bepaalt dat de gefailleerde ofwel samen met de aangifte van het faillissement of uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad zijn verzoek moet indienen.
De wet stelt dat de termijn van drie maanden een vervaltermijn is, maar het Grondwettelijk Hof heeft die vervaltermijn als ongrondwettig beoordeeld.

Op de curator rust de verplichting om uiterlijk binnen de maand na het verzoek, in het Register een verslag neer te leggen over de omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten bedoeld in § 3.

De wet voorziet dat kwijtschelding automatisch wordt toegekend, op voorwaarde dat de gefailleerde tijdig een verzoek heeft ingediend. Dit betekent dus dat de gefailleerde aan geen enkele voorwaarde moet voldoen en dat de rechtbank geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft en ook geen enkel onderzoek zal voeren. De curator wordt niet gehoord en de rechter-commissaris dient geen advies te verlenen. Het stelsel van de kwijtschelding is in essentie een stelsel waarbij de restschulden automatisch gewist worden.

Alleen wanneer een belanghebbende (vb. een schuldeiser) , inbegrepen de curator en het Openbaar Ministerie zich verzet tegen de kwijtschelding, zal de rechtbank de bezwaren van deze belanghebbende onderzoeken en beslissen op basis hiervan of ze al dan niet de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk toekent.

Het verzet kan worden aangetekend vanaf de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad en zelfs vooraleer de gefailleerde een verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend. Het verzet kan worden ingediend zolang er geen uitspraak is gedaan over de vraag tot kwijtschelding. Het verzet gebeurt met een verzoekschrift dat wordt opgesteld conform art 1034 Ger. W.

Op degene die zich verzet tegen de kwijtschelding rust evenwel een bijzonder zware bewijslast met name moet hij bewijzen dat de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Met kennelijk grove fouten wordt eigenlijk verwezen naar artikel XX 224 en 225 WER op basis waarvan de curator een aansprakelijkheidsvordering kan instellen.

De kennelijk grove fouten moeten dateren van voor de datum van het faillissement en ze moeten bovendien bijgedragen hebben tot het faillissement.
Fouten of tekortkomingen die dateren van na het faillissement (zoals vb. het weigeren van bezorgen van inlichtingen en stukken aan de curator, …) zijn niet ter zake dienend.

De rechtbank maakt vonnis zonder partijen te horen; Zelfs wanneer verzet wordt geformuleerd, leert de ervaring dat de rechtbank partijen niet oproept en uitspraak doet op basis van de stukken.

De rechtbank spreekt zich uit over de kwijtschelding uiterlijk op de zitting van de sluiting van het faillissement. Indien het verzoek nog niet is ingediend op datum van de sluiting (= bij sluiting van het faillissement binnen de drie maanden na het vonnis van faillietverklaring) dan doet de rechtbank uitspraak binnen de maand na het verzoek. Dit laatste is wat krap gerekend gezien de curator eenzelfde termijn van één maand heeft om een verslag op te maken.

In het vonnis kan de rechtbank of kwijtschelding verlenen, of kwijtschelding volledig weigeren, of gedeeltelijk kwijtschelding weigeren.

Zodra de termijn van zes maanden verstreken is vanaf datum vonnis van faillietverklaring kan de gefailleerde de rechtbank vragen om vervroegd uitspraak te doen over zijn vraag tot kwijtschelding.

In tegenstelling met verschoonbaarheid, waar de schuldeisers niet meer kunnen uitvoeren, impliceert kwijtschelding dat de restschulden uitdoven, dus niet meer bestaan. Indien naderhand deze schulden toch zouden worden betaald, kan terugbetaling worden gevraagd op basis van de onverschuldigde betaling.

Bij volledige kwijtschelding worden alle restschulden kwijtgescholden. Dit geldt niet alleen voor schulden die betrekking hebben op de commerciële activiteit van de gefailleerde, maar ook op de private schulden en de schulden ten opzichte van de overheid.

Ook onder het stelsel van de kwijtschelding geldt uitzondering met betrekking tot onderhoudsschulden ven de gefailleerde en schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de fysieke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft.

De (ex-)partner van de gefailleerde wordt bevrijd van de schulden van de gefailleerde waartoe de (ex-)partner persoonlijk verbonden is voor de schuld die voornoemde persoon tijdens de duur van het huwelijk of van het wettelijk samenwonen was aangegaan. De (ex-)partner wordt niet bevrijd voor de persoonlijke of gemeenschappelijke schulden van de (ex-)partner die voortvloeien uit een overeenkomst door de (ex-)partner gesloten, ongeacht of die schulden alleen of samen werden aangegaan met de gefailleerde, en die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde.
De (voormalig) echtgenoot / wettelijk samenwonende blijft dus met een pak restschulden opgezadeld zitten, in het bijzonder alle schulden die geen verband houden met de commerciële activiteit van de gefailleerde.
 

Reactie toevoegen

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.