Juridische bijdrage | Strafrechtelijk beslag "bij equivalent” op de derdenrekening van het advocatenkantoor.

In het kader van een gerechtelijk onderzoek tegen de cliënt van een advocatenkantoor was beslag gelegd op de rekeningen van deze cliënt. De cliënt diende ook nog geld van klanten te ontvangen en wenste daarmee onderaannemers te betalen. Deze klanten betaalden op de derdenrekening van het advocatenkantoor. De bewuste som werd door de advocaat, in overleg met de cliënt, aan de onderaannemers van de cliënt overgemaakt waardoor er geen geld van bewuste cliënt (inverdenkinggestelde) meer op de derdenrekening stond.

Het parket gaat, elf dagen later, over tot beslag op de derdenrekening van het advocatenkantoor “voor een equivalent bedrag” onder de beschouwing dat geld “een soortzaak” is.

Op verzoek van het advocatenkantoor beveelt de onderzoeksrechter de opheffing van het beslag. Het federaal parket tekent hiertegen hoger beroep aan.

De Kamer van Inbeschuldigingstelling wijst het hoger beroep af met volgende redenering: De gelden op een derdenrekening behoren niet toe aan het advocatenkantoor maar aan derden. Het beslag op de derdenrekening van een advocatenkantoor op een ogenblik dat dit onmiskenbaar heeft aangetoond dat de geviseerde gelden reeds elf dagen voordien waren overgeschreven op rekening van de begunstigde, waardoor het beslag de facto zonder voorwerp is geworden, is disproportioneel en niet redelijk te verantwoorden doordat hierdoor de rechten van ‘bona fide’ derden zeer ernstig in het gedrang komen.

De volledige tekst van deze voor advocaten belangrijke uitspraak kan u lezen in TGR 2019, n°1, p.52-53.

Jan Leysen
Advocaat aan de balie West-Vlaanderen

www.puuradvocatuur.be