Toga, of niet?

Wanneer moet een toga worden gedragen voor vredegerechten en politierechtbanken waarvan de zetel niet in het gerechtsgebouw van de rechtbank van eerste aanleg of het hof van beroep is gevestigd?

Pro-stafhouder Frédéric Busschaert zocht het nog even voor ons uit:

Art. 441 Ger.W. bepaalt:
“In hun ambtsverrichtingen dragen de advocaten de kledij die de koning voorschrijft.” 

Deze ambtskledij, de toga, wordt beschreven in het K.B. van 30 september 1968, in uitvoering van art. 441 Ger.W.

De Koninklijk Commissaris Van Reepinghen stelt in zijn verslag in 1964 over de op til staande gerechtelijke hervorming met betrekking tot art. 441 Ger.W. dat de regel van het dragen van de toga zou/zal wijken, zoals ook in het verleden, voor de zetels die niet samenvallen met de plaats waar het hof of de rechtbank is gevestigd.

Met het woord “plaats” wordt niet bedoeld de stad of de gemeente, maar wel de vestigingsplaats of het gerechtsgebouw.

Voormelde visie was bij de totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek niet alleen deze van Koninklijk Commissaris Van Reepinghen, doch ook deze van de leden van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die in 1970 dienden te oordelen over een wetsvoorstel van de heer Vandamme, ertoe strekkende de Raad van de Orde van de Advocaten te machtigen de leden van de balie te ontslaan van de togaverplichting in sommige politierechtbanken of vredegerechten. Uit het verslag van de heer Van Rompaey blijkt dat het voormelde voorstel eenparig werd verworpen nadat de Minister van Justitie verklaard had dat de voorgestelde maatregel niet noodzakelijk was, daar in de praktijk de advocaten niet verplicht worden de toga te dragen in de politierechtbanken en vredegerechten, waar zulks enige moeilijkheid oplevert (Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1969-1970, Parlementair stuk 1492, nr. 1 en 2).

Niets kan een advocaat enerzijds beletten toch de toga te dragen voor een rechtbank waar dit niet tot het gebruik behoort (Mahieu, M. en Baudrez, J, De Belgische Advocatuur, Kuurne, Leieland, 1980, nr. 2687; Vermeylen, P, Règles et usages de l’Ordre des Avocats en Belgique, Brussel, Larcier, 1940 nr. 1213), doch het kan hem anderzijds niet worden opgelegd. Het dragen van de toga is een recht van de advocaat, het niet-dragen hoogstens een gedogen.

Voormeld gebruik is sindsdien uitgebreid tot omzeggens alle vredegerechten en politierechtbanken waarvan de zetel niet in het gerechtsgebouw van de rechtbank van eerste aanleg of het hof van beroep is gevestigd.

Van dit gebruik, dat een gedoogzaamheid inhoudt, kan noch door de rechtbank, noch door de balie, eenzijdig worden afgeweken, doch slechts in onderlinge verstandhouding, waaruit in voorkomend geval nieuwe gebruiken kunnen ontstaan (Stevens, J., Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, Antwerpen, Kluwer, 1997, 386).

Niets belet dat de raad van de Orde van de leden van de balie zou kunnen eisen dat zij voortaan de toga zouden dragen, ook waar dit vroeger niet meer het geval was (Corr. Gent, 18 juni 1974, R.W., 1974-75, 124).