"Juristerij mag geen doel op zich zijn" | Ombudsman Advocatuur Miek Warson
Miek Warson is sinds enige tijd het nieuwe gezicht van OCA LIGECA, de ombudsdienst voor consumentengeschillen in de advocatuur. Dit in opvolging van Ann Depuydt. Warson is advocaat, bemiddelaar en docent, en stond jarenlang op de eerste rij als lokale ombudsman in Limburg. Zijn missie: de relatie tussen advocaat en cliënt versterken, ten goede van betrokken partijen, maar eigenlijk voor onze beroepsgroep in het algemeen. Tijd voor een interview!
Henri: voor de confraters die u niet kennen: wie is Miek Warson? Hoe komt het dat uitgerekend Miek de huidige ombudsman advocatuur geworden is?
"Ik ben in 1994 gestart als advocaat. Als brave Limburger begon ik in Antwerpen, voor de iets 'technische materies': vennootschapsrecht en insolventie. Ik heb veel te danken aan mijn patroon, Jacky Bruneel, hij heeft mij correct en grondig gevormd. Gaandeweg, maar vooral ook door mijn eigen echtscheiding, merkte ik dat de klassieke, puur juridische benadering vaak niet aansluit bij wat cliënten op zo’n moment echt nodig hebben. Het recht heeft zijn waarde, maar de elementen eromheen zijn minstens even belangrijk. Ik heb mij toen ingeschreven voor een opleiding bemiddeling, en dat was een echte AHA‑erlebnis. Ik besefte: een goede adviseur/bemiddelaar/consultant/coach moet niet alleen technisch onderlegd zijn, maar ook sterke sociale vaardigheden hebben.
Luisteren, doorvragen wat iemand écht wil, en daaruit destilleren wat hij of zij nodig heeft. Juristerij mag geen doel op zich zijn;
het is één instrument in de gereedschapskist om te komen tot wat voor de cliënt het beste is. Maar met een hamer draai je geen schroef vast—dus heb je een brede gereedschapskist nodig. Dat was een echte wakeupcall.
En daarmee ben je aan de slag gegaan?
Inderdaad. Ik ben dit beginnen gebruiken in mijn eigen praktijk, om cliënten beter bij te staan en om als bemiddelaar op te treden. Maar ik wilde dit breder gaan trekken. Ik ben ervan overtuigd dat de bemiddelende aanpak onze volledige beroepsgroep ten goede komt. Ik ben mij dus gaan inzetten voor de algemene vergadering van de OVB en ben daar in de commissie ADR (Alternative Dispute Resolution, nvdr) gestapt.
Toen kwam in 2015, onder impuls van Europese regelgeving, de wettelijk verplichting om een ombudsdienst te organiseren. Normaal wordt zo’n ombudsfunctie door externen gedaan, maar gezien ons beroepsgeheim hebben we met de FOD onderhandeld en een consensus bereikt: de ombudslieden bij ons zijn advocaten, die ook de opleiding bemiddelaar gevolgd hebben. Ze moeten de principes van onafhankelijkheid en neutraliteit toepassen zijn. Sindsdien ben ik zelf als lokaal ombudsman beginnen optreden.
Wat leerde je als lokaal ombudsman?
Ik behandelde in totaal over de jaren zo’n tachtig dossiers en kreeg voeling met wat er tussen advocaat en cliënt speelt. De aanpak heeft twee sporen: eerst trachten te verzoenen; als dat niet lukt, een niet‑bindende aanbeveling formuleren met mogelijke pistes naar een oplossing.
Wij zijn er voor consumenten die een grief hebben over de samenwerking met hun advocaat. We zoeken efficiënt naar oplossingen, in vertrouwen, onafhankelijk en partij‑neutraal. We zijn geen rechtbank, geen tuchtorgaan; we nemen geen beslissing maar helpen partijen richting een oplossing te gaan.
Hoe dat concreet in zijn werk gaat? Ik nodig beide partijen uit, vroeger vooral fysiek, later vaak via video. Ik leg mijn rol uit: ik ben wel advocaat, maar hier zet ik de Zwitserse pet op. Als iemand de onpartijdigheid in twijfel trekt, moet dat meteen gezegd worden. Daarna volg ik een gespreksmodus. Ik vraag bijvoorbeeld aan de cliënt: hoe ontmoette u de advocaat, wat ging goed, wat ging mis? En aan de advocaat: hoe verliep de samenwerking, wanneer liep er iets fout? Er is één realiteit maar vaak twee waarheden. Door elkaar echt te beluisteren, wordt in twee derde van de gevallen duidelijk dat de communicatie is misgelopen: transparantie over afspraken, verwachtingsmanagement, bereikbaarheid, heldere taal zonder jargon, strategie en doelgerichtheid. Vaak volstaat een symbolische geste—bijvoorbeeld 5% ereloonvermindering—als teken van empathie en erkenning. Regelmatig is er binnen anderhalf uur een entente. Die leg ik dan kort op mail vast, waarna partijen bevestigen.
Wat zie je als rode draad in die dossiers?
Bij de start lijkt het vaak over kosten en ereloon te gaan. Maar na een kwartier blijkt het zelden écht daarover te gaan en bijna altijd over communicatie: luisteren, empathie, een helder pad uittekenen, tussentijds informeren, actief bevragen of de strategie nog klopt. Vaak dragen beide partijen een deel van de koek.
En nu ben je dus 'hoofdombudsman', een meer coördinerende rol. Vanwaar dit engagement?
Ik ben niet alleen bekommerd om mijn eigen praktijk als advocaat en bemiddelaar; ik vind dat we als beroepsgroep vooruit moeten. Kwaliteit borgt ons beroep en trekt jonge advocaten aan. De relatie tussen cliënt en advocaat is cruciaal: als iemand slecht behandeld wordt en dat rondvertelt, druipt dat af op ons allemaal. Mijn engagement bij de ombudsdienst is om het positief beeld van onze te versterken, op een geactualiseerde en mensgerichte manier. Rotte appels kosten de hele fruitmand, dus iedereen we zijn met elfduizend— draagt best een steentje bij.
Hoe verloopt een dossier bij OCA LIGECA precies ?
Een klacht komt bij mij binnen via het webformulier. Ik toets de ontvankelijkheid, bijvoorbeeld of er niet al een procedure ten gronde of in tucht opgestart is, want in dat geval kan Oca Ligeca niet meer tussenkomen. Vervolgens verwijzen we door naar een lokale ombudsman/-vrouw. Er volgt dan doorgaans een verzoeningspoging. Indien geen akkoord, komt er een niet‑bindende aanbeveling: soms puur richtinggevend, soms ook inhoudelijk met een vermoeden van welke oplossing kansrijk is. Als er wel een akkoord is formaliseert de lokale ombudspersoon dat kort, met aanvaarding door beide partijen. Dit wordt dan opgeladen in het ombudsplatform.
In 2025 telden we zo'n 220 nieuwe klachten. Momenteel zijn er 298 actieve dossiers. De stijging betekent niet dat de advocatuur “slechter” is, wel dat cliënten mondiger zijn en de dienst beter kennen.
OCA LIGECA is in die zin ook een barometer van wat leeft tussen advocaten en cliënten.
Welke beleidspunten wil je doordrukken?
Ik zou graag de dienstverlening kunnen uitbreiden naar niet‑consumenten: kleine zelfstandigen en micro‑ondernemingen, die geen draagkracht hebben voor een tweede probleem bovenop hun hoofdgeschil. Je kan op korte tijd veel mensen vooruithelpen—én de advocatuur als geheel.
Ik wil ook de ICT heroriënteren richting “verzoening eerst” in plaats van parallel met de aanbeveling in geval van niet-akkoord.
De barometerfunctie zou ik ook graag versterken: systematischer trends en echte kernproblemen capteren en daarover terugkoppelen naar de balies.
En dan een heel belangrijke: uitbreiding van het team van lokale ombudslieden. Per balie mikken we op drie lokale ombudslieden. Deze zomer zal nog een warme oproep komen voor nieuwe kandidaturen. In september organiseren we dan een dag waarop de lokale ombudslieden ervaringen kunnen uitwisselen en methodiek scherpen.
Om enthousiaste ombudspersonen aan te trekken moet natuurlijk ook de vergoeding juist zitten. Momenteel is de vergoeding 80 euro per uur, met een maximum van drie uur. Dat kan beter. Met de nieuw verkozen OVB-voorzitter Erik Valgaeren zal ik hierover een gesprek voeren. HIj heeft mij al aangegeven dat hij dat gesprek absoluut wil voeren.
Nieuw verkozen OVB-voorzitter Erik Valgaeren vindt ook dat de ombudsdienst een essentieel onderdeel van de advocatuur is en dat dit een stevige, onafhankelijke poot moet zijn, waar we moeten in in investeren. Als beroepsgroep hebben we daar bijzonder veel baat bij. Een aantrekkelijke vergoeding is nodig om voldoende erkende bemiddelaars te werven.
Wat vraagt u concreet van confraters die lokaal ombudsman/-vrouw willen worden?
Ze moeten erkend bemiddelaar zijn (dus de opleiding genoten hebben). Ze moeten affiniteit hebben met verzoenen en luistervaardig zijn. Communicatie is het hart van het bemiddelen. En ze moeten de bereidheid hebben om in alle onafhankelijkheid te werken, met respect voor het beroepsgeheim.
We rekruteren momenteel via de Federale Bemiddelingscommissie en via stafhouders. Limburg trekt sterk in ADR; elders—zoals West‑Vlaanderen—bouwen we verder uit.
Er is een goed contact met de huidige lokale ombudslieden. Bij moeilijke dossiers is er ook overleg en coaching.
Ik merk alvast dat het thema bemiddeling bij de jongere advocaten goed aanslaat. Ik geef mee de tweedaagse fysieke opleiding ADR voor de advocaten-stagiairs, en dit onderdeel wordt steevast door de stagiairs als beste onderdeel van de BUBA‑opleiding beoordeeld.
Hoe is de samenwerking met Franstalige collega’s?
In Wallonië is Marie-Anne Bastin sinds 2017 de centrale ombudsvrouw. We hebben een continue open lijn. En twee keer per jaar is er ook een groot overleg om af te stemmen, ervaringen te delen en coherent samen te werken. We hanteren hetzelfde ICT-platform maar de indeling is anders.
Hoelang wil je ombudsman blijven?
Zolang ik meerwaarde kan bieden en er ook zelf plezier aan beleef. Vier vijfden van mijn tijd spendeer ik tegenwoordig aan bemiddeling; het is heerlijk—je helpt meer mensen vooruit. Ik wil niet meer zonder kompas te werk gaan: het gaat me erom dat mensen vooruitgaan in het leven.
Bedankt Miek voor het gesprek en veel succes in deze functie!
Reactie toevoegen